Start
Omhoog

VAN DE BERCHEM SIERDUIFKLUB

TOT DE

KEMPISCHE PLUIMVEEVERENIGING OOSTMALLE

Door Bart Van Hoydonck samengevat.

Klik op de onderstaande knoppen!

 

1921- ’29 : Van nul tot de Berchem Sierduifklub :

De geschiedenis van de eerste 10 jaar van de ‘Berchem Sierduifklub’, want met die naam is de huidige club ontstaan, is samengesteld uit verslagen van na 1930, vermits de verslagen van voor 1930 allen zoek zijn geraakt.

De B.S.K. moet ergens in het jaar 1921 zijn gesticht, vermits men in verslagen van 1931 spreekt over het 10-jarige jubileum.

De Berchem Sierduifklub is niet uit het niets onstaan, ze is voortgesproten uit de Cercle Royale Anversois d’ Aviculture, de roemruchte C.R.A.A., die ondanks alles een vooraanstaande rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de pluimveeliefhebberij. Men mag zeker zijn dat de stichters en de eerste leden van de B.S.K., ontevreden leden waren van de C.R.A.A. Deze werd immers bestuurd door een groep graven en baronnen die vanuit de hoogte neerkeken op hun gewone medeleden. Maar zoals op alles, waren ook hier uitzonderingen. Zo was er een Berchemse baron, een stuwende kracht bij het stichten en instandhouden van de B.S.K. Hij schonk bijvoorbeeld 500 bef. werkingskosten bij een tentoonstelling, wat in die tijd een half maandloon was. Dat er voor 1930 al een werking is geweest, blijkt uit bepaalde gegevens, teruggevonden in een verslagboek dat gedateerd is op 8 december 1930. Zo werd er bijvoorbeeld een tentoonstelling georganiseerd waar 496 duiven op waren ingeschreven, van hoenders is er in die tijd nog geen sprake. Dit krijgt nog een ruimere dimensie doordat het verslag vermeldt :’.. er was een zulkdanige volkstoeloop zoals men nog zelden op een duivententoonstelling had gezien.’

 Terug

1930 – ’39 : Moedig verderwerken :

In 1931 vermeldt een verslag iets over een oproep die aan de leden werd gedaan : ‘.. dat iedereen zou trachten iets nuttigs te doen bij de viering van ons 10-jarig bestaan…’,de juiste dag ontbreekt.

Als er iets is waar de club steeds goed in is geweest, dan is dat wel feesten. Zo ging men in 1932 zelfs een lening aan, om het meer dan 10-jarig bestaan te kunnen vieren met ‘een groot banket’ en in een verslag uit 1933 stond dit :’.. de ton bier zal leeggedronken worden op 28 januari !’

In 1933 wordt er ook deelgenomen aan een internationale tentoonstelling in Rome. De tentoonstellingen die men zelf organiseerde, waren steeds een redelijk succes, wat nodig was ook, want er moest een schuld worden afbetaald. Het verhuren van kooien was ook iets dat de B.S.K. regelmatig deed en ook dat hielp goed bij het afbetalen van de schuld. In 1938 is het provinciaal verbond op zoek naar fokdieren en eieren van diverse sierduivenrassen, om ze in stand te kunnen houden tijdens de komende oorlog. Zowat het laatste wapenfeit van de club, voor de oorlog, is het organiseren van een reisduivenschouwing waarvan de opbrengst wordt verdeeld onder gezinnen van gemobiliseerden.

Terug

1940 – ’49 : Na de oorlog, terug moeizaam starten :

De laatste vergadering voor de oorlog, stond gepland op april 1940, maar wordt uiteindelijk afgeblazen bij gebrek aan een stoof. De vergadering van april ’46 brengt aan het licht dat er tijdens de oorlog veel materiaal is verdwenen en dat er een diepe financiële put is geslagen.

In de tweede helft van de jaren veertig beginnen de eerste fokkers ‘den boer op te trekken’, opzoek naar duivenvoeder en naar wat er overgebleven was van hun rasduiven. Tijdens de oorlog werden de meeste namelijk verkocht aan boeren, in ruil voor graan en patatten.

Zoals dat bij alles gebeurde, werden er ook in de kleinveeteelt grote hervormingen doorgevoerd. Zowel bestuurlijk, van provinciaal tot internationaal, als op het wetenschappelijke, van spreekbeurten tot bij de literatuur.

Terug

1950 – ’59 : Pompen of verzuipen :

1950 begint positief. Er is in 1950 namelijk terug geld in kas, in totaal 1699,50 fr. en er komen ook veel jongere mensen bij de club om de oude vertrouwde garde te vervangen.

Na 1950 gaat het echter een stuk minder. Die 9 jaren worden namelijk getypeerd door de vele financiële problemen. Men kon altijd net de touwtjes aan elkaar knopen door tentoonstellingen en kooienverhuur. Dit alles zorgde dat er constant wisselingen waren van bestuursleden. De publiekebelangstelling voor de tentoonstellingen was gering, waardoor men enkel door vele offers het hoofd boven water kon houden.

Terug

1960 – ’69 : Na de puberteit stilletjesaan volwassen worden :

In 1961 zit men stilaan terug op het rechte pad. Er wordt een film vertoond over het clubleven, er is een reis naar Parijs, er wordt in Zoersel een succesvol tuinfeest georganiseerd, men koopt terug materiaal aan en de tentoonstelling brengt een kleine 600 dieren samen, waaronder ook hoenders, die trouwens al een paar jaar meedoen.

In april ’64 krijgt een omstreden kwestie van schrijvers tijdens de keuring (dit zijn personen die tijdens de keuring de keurmeester assisteren door de keurkaarten te schrijven, zoals de keurmeester ze dicteert) een positieve oplossing. Op dit gebied heeft de B.S.K. baanbrekend werk verricht. Heden ten dage wordt dit trouwens nog steeds toegepast.

In 1968 beslist men om jaarlijks een lenteverkoop te houden. Op het einde van dat jaar is er, zoals de traditie wil, de eindejaarsreis. Dat jaar ging men naar de tentoonstelling in Eindhoven, wat een echte openbaring werd.

Uit de verslagen van 1969 kan men opmaken dat het serieus was misgelopen in de zaal ‘De Put’, waar men al sinds 1949 thuis is. Een andere zaal werd gevonden te St. Antonius Brecht. De tentoonstelling werd er georganiseerd, en deze werd een ongekend succes met 690 inschrijvingen en enorm veel publieke belangstelling. Aan het einde van het palmares schreef men :’Onze leuze … immer vooruit !’

 Terug

1970 – ’79 : De verhuis naar Oostmalle : een ongekend succesverhaal :

1970 Is een mijlpaal naar de moderne tijd, met de eerste tentoonstelling in de gemeentezaal te Oostmalle.

In 1972 wordt er een andere grote verandering doorgevoerd, De Berchem Sierduifklub wordt namelijk de Kempische Pluimveevereniging Oostmalle. De club leeft, en men wil meer dan ooit vooruit. Er worden massaal moderne tentoonstellingskooien aangekocht voor krielen en duiven. De grote hoenders zullen van nu af aan hun onderkomen vinden in nieuwe zelfgemaakte grondhokken.

In 1973 wordt voor de vierde maal de tentoonstelling in Oostmalle georganiseerd en het werd ook de grootste tot dan toe, met 1500 aanwezige dieren. Gevolg : de keurmeesters moesten op een trapje 4 kooien hoog keuren.

Naar het einde van de jaren ’70 werd er ook meer en meer aan de kweek van cavia’s gedaan. Daarom richtte de K.P.O. als eerste en enige in België, in 1977, hier een tentoonstelling voor in.

Ondertussen bleef men ook verder reizen organiseren naar buitenlandse tentoonstellingen, er werden spreekbeurten gehouden en er werd ook beslist om de leden jaarlijks een smulavond aan te bieden.

Terug